Home
20/06/2013
   
www.spain.info
Noord  Centrum  Zuid
Noord  Centrum  Zuid
Météo Services
Noord  Centrum  Zuid




Home > Golf - Terminologie

Terminologie

A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X - Y - Z


TopA

ADRESSEREN

  • Adresseren is klaar gaan staan om de bal te slaan. Het positioneren van lichaam en club voorafgaand aan de slag.

ABNORMAL GROUND CONDITIONS

  • Nederlands: abnormale terreinomstandigheden. Elk tijdelijk water, elk stuk grond in bewerking, of gat, hoop of spoor op de baan gemaakt door een gravend dier, reptiel of een vogel. Men mag daar droppen zonder strafslag voor de rest van het spel.

AIR BALL

  • Wanneer bij de misslag de bal extreem hoog gaat met weinig afstand

ALBATROSS

  • Het spelen van een hole in drie slagen minder dan de par van de hole. In Amerika heet dat soms een “double eagle”.

ALIGNMENT

  • Nederlands: (het) oplijnen. Het situeren van het lichaam en van het clubhoofd in relatie tot het doel.

ALL SQUARE

  • Een wedstrijd matchplay kan "all square" eindigen, gelijkspel dus. De beste score op een hole wint de hole en wie het meeste holes wint, wint de partij.

APPROACH

  • Nederlands: benaderen. Een schot naar (en op) de green, of vanaf de fairway een schot naar de dichtstbijzijnde green

TopB

BACKSPIN

  • De achterwaartse rotatie van de bal om zijn horizontale as, veroorzaakt door de loft van het clubblad, de invalshoek en de clubhoofd snelheid. Een bal die geraakt wordt beneden zijn middelpunt met een club met loft (zelfs een putter) zal backspin hebben tijdens de balvlucht. Hoe meer backspin hoe sneller de bal zal stoppen (bit) op de green.

BACKSWING

  • Het gedeelte van de swing welk zich van de bal af beweegt.

BIRDIE

  • Club utilisé pour les drives les plus longs, en général le premier coup du parcours

BIRDIE

  • Het spelen van een hole in één slag minder dan par.

BRUTO SCORE

  • Het totaal aantal slagen in een strokeplay wedstrijd zonder rekening te houden met de handicap.

BUNKER

  • Een hindernis bestaande uit een bewerkt stuk grond, dikwijls een kuil, waaruit gras of aarde is verwijderd en vervangen door zand of iets dergelijks.

TopC

CADDIE

  • Iemand die tijdens het spel zorgt voor de stokken van een speler of deze meevoert, en de speler ook op andere wijze assisteert volgens de regels.

CARRY

  • De afstand die de bal door de lucht aflegt

CHIP

  • Een slag (meestal over kortere afstand) waarbij de rol veel verder is dan de vlucht (carry).

CLOSED CLUBFACE

  • Dit wordt gezegd van het clubblad of van de houding van een speler. Het clubblad staat (bij adres en impact) niet haaks op het doel maar wijst naar links. Een manier van vasthouden waarbij de handen iets kloksgewijs zijn gedraaid (de rechterhand zit daarbij iets meer onder de shaft).

CLOSED STANCE

  • Nederlands: gesloten stand, dicht staan. Positionering van de voeten waarbij de rechter voet enigszins teruggetrokken staat t.o.v. de imaginaire lijn langs de tenen (voetenlijn), welke parallel aan het doel is (doellijn).

CLUB

  • Een golfstok, ook wel ijzer, stok, hout, iron

TopD

DIVOT

  • Een plag die men, vooral met kortere ijzers, uit de grasmat slaat.

DOG-LEG

  • Hole met een fairway waar een bocht in zit en daardoor qua vorm enigszins lijkt op de achterpoot van een hond.

DOWNSWING

  • Het gedeelte van de backswing waar het clubblad weer naar de (stilliggende) bal beweegt. Ook wel “forward swing”.

DRAW

  • Een balvlucht met een vertrekrichting iets rechts van de doellijn, die iets naar links afbuigt

DRIVE

  • De drive is de afslag vanaf de tee, meestal met de “driver” (de houten 1), maar ook een afslag met een ijzer wordt “drive” genoemd.

DRIVE

  • Au départ d'un trou le joueur place ou non sa balle sur un tee et joue son coup, on dit qu'il a drivé

DRIVER

  • De houten-1, de stok om het verst te slaan

TopE

EAGLE

  • Een hole spelen in twee slagen beter dan par van de hole (een par drie in één slag (hole-in-one), een par vier in twee slagen, een par vijf in drie slagen).

ECLECTIQUE

  • Een strokeplay wedstrijdvorm. De laagste bruto score per hole behaald over een tevoren vastgestelde periode. Die periode kan variëren van één dag tot een aantal maanden. Ook wel “ringer score” genoemd.

ETIQUETTE

  • Naast de (geschreven) (spel)regels zijn er ook een aantal (soms ongeschreven) (beleefdheids)regels: de etiquette. Voorbeeld van zo'n ongeschreven regel is dat men stilstaat en geen geluid maakt als de partner gaat slaan.

TopF

FADE

  • Een balvlucht met een (kleine) curve naar rechts. Hetzelfde dus als een “slice”, maar dan met opzet geslagen. Het tegenovergestelde heet een draw.

FAIRWAY

  • Het gedeelte van de baan tussen de afslag en de green. Vrij kort gemaaid om de bal een goede ligging te bezorgen.

FINISH

  • Een alternatieve uitdrukking voor de eindpositie van de swing.

FIRST NINE, FRONT NINE

  • De eerste negen holes van een golfbaan

FOREGREEN

  • Het kort gemaaide gedeelte, enige meters breed rondom de green. Het gras is korter dan op de Fairway, maar minder kort dan op de green

FOUR-BALL – BEST-BALL

  • Een wedstrijd tussen de beste bal van twee teams

FOURSOME

  • Een partij waarin twee spelers spelen tegen twee andere spelers, elke kant met één bal

FREE DROP

  • De bal droppen zonder dat er een strafslag geteld hoeft te worden

TopG

GOING HOOK

  • Een slag met de bedoeling de bal na de landing naar het doel te laten rollen.

GRAIN

  • Op de green, de richting waarin het gras groeit. Sommige greens hebben het duidelijker dan andere. Dat kan effect hebben op de break en de afstand. De grain volgt waterafvoer, de zon, maairichting, voorkeurswindrichting

GREEN

  • Dat gedeelte van de hole die wordt gespeeld, dat speciaal is geprepareerd voor het putten of anderszins als zodanig door de commissie is aangegeven

GREENFEE

  • Het bedrag dat betaald moet worden als men wil spelen op een golfbaan waar men geen lid is.

GREENKEEPER

  • De tuinman(nen) op de golfbaan. Zij onderhouden de golfbaan. Op een 18 holes baan zijn er toch minimaal 3-4 nodig.

GREENSOME

  • Variatie op foursome, geen officiële wedstrijdvorm. Op elke hole slaan beide spelers van een team met hun eigen bal af. Daarna kiezen de partners de bal die het gunstigst ligt en spelen daarmee om beurten verder de hole uit (de speler wiens bal niet wordt gekozen neemt zijn bal op en doet de tweede slag).

GRIP

  • Dat gedeelte van de shaft dat de speler in zijn handen houdt. Het materiaal van de grip kan van leder, rubber of kunststof zijn.

GRIP: BASEBALL

  • De stok vasthouden op dezelfde manier als een baseball (honkbal) knuppel: de linkerhand en de rechterhand liggen om de shaft (en veel meer in de palm dan bij een golfgrip) zonder enige verbinding met elkaar (geen interlocking of overlapping). Ook wel “palmgrip” genoemd.

GRIP: INTERLOCKING GRIP

  • Een methode van vasthouden waarbij de rechter pink tussen de linker wijs- en middelvinger geklemd is.

GRIP: OVERLAPPING

  • Een manier om de stok vast te houden. Wordt vrijwel uitsluitend met de putter toegepast, soms ook bij chipping. Van de rechterhand liggen alle vingers om het handvat. Van de linkerhand liggen pink, ring- en middelvinger om de stok, de duim op de stok en de wijsvinger ligt bovenop de vingers van de linker hand.

GRIP: VARDON

  • Meestal overlapping grip genoemd. Eén van de twee het allermeest toegepaste manieren om de stok vast te houden (de andere is “interlocking”): De rechter pink ligt op het gootje tussen linker wijs- en middelvinger. De grip is naar Harry Vardon genoemd (1870-1937), een beroemd speler. Hij heeft deze grip gepopulariseerd, maar niet uitgevonden. J.E.Laidley gebruikte deze grip al op zijn minst 15-20 jaren eerder.

TopH

HANDICAP

  • Het getal wat aangeeft (bij strokeplay) hoeveel slagen de speler (gemiddeld) meer nodig heeft dan de par van de baan.

HIEL

  • Uiteinde van het blad van de club aan de kant van de speler, waar het aansluit op de steel

HOOK

  • Balvlucht die sterk van rechts naar links gaat. Meestal een foute slag, maar kan met opzet worden geslagen om een obstakel te ontwijken.

HOUT

  • Een hout. Een club, vroeger met een houten clubhoofd.

TopI

IJZER

  • Club met ijzeren kop, waarvan de opening gaat van de lob-wedge tot ijzer 1

IJZERS: KORTE

  • De sand-wedge, gap-wedge, lob-wedge, wedge, ijzer 9 en ijzer 8

IJZERS: LANGE

  • IJzer 4, 3, 2 en 1

IJZERS: MIDDELLANGE

  • IJzer 7, 6 en 5

IMPACT

  • Het moment van raken van de bal.

INSERT

  • Houten drivers hadden een plastic “insert”, inzetstukje, om ze te beschermen tegen de vele impacts.

TopJ K L

KLEIN SPEL

  • Alle slagen in de buurt van en op de green, waar de speler blijk moet geven van handigheid en verbeeldingskracht om de bal in de hole te krijgen.

LIE

  • Letterlijk "ligging", de positie van de bal nadat die stilligt. "De bal heeft een slechte lie".

LINKS

  • Zandige grond aan of nabij de zee bedekt met een speciaal soort gras, bekend als “bent” gras, meestal doorkruist door een stroompje (“burn” in Schotland). De meeste oude golfbanen waren “links” banen. De werkelijke betekenis/afkomst is onduidelijk, maar het woord is van Schotse origine. Sommigen zeggen dat het woord “links” betrekking heeft op de verbindingen die de “burn” maakt tijdens zijn slingeringen.

LOB HOT

  • Een hoog schot over geringe afstand, dat na de landing slechts weinig doorrolt.

LOFT

  • De hellingshoek van het clubblad t.o.v. het verticale vlak. /li>

TopM

MATCH PLAY

  • Eén van de twee basisspelvormen (de andere is strokeplay). Wordt gespeeld per hole. Steeds spelen twee kanten (die elk kunnen bestaan uit 1 of 2 spelers) tegen elkaar. Elke kant speelt met zijn eigen bal. Een hole wordt gewonnen door de kant die de hole uitspeelt in het minste aantal slagen.

MEDAL PLAY

  • Ook wel strokeplay. Eén van de twee basisspelvormen. Gewoonweg spelen van de golfbaan en alle slagen bij elkaar optellen tot een eindscore.

MULLIGAN

  • Mogelijkheid om de afslag op de eerste hole opnieuw te spelen, als die niet goed geslaagd was. Geldt niet bij professionele wedstrijden. /li>

TopN

NETTO SCORE

  • De eindscore die overblijft na bruto score minus handicap.

TopO

OBSTAKELS

  • Engels: obstructions. Alles wat kunstmatig is, inbegrepen de kunstmatige oppervlakten en kanten van wegen en paden en gefabriceerd ijs.

ONSPEELBARE BAL

  • Engels: unplayable ball. Men ziet de bal, men kan erbij, alleen een slag doen gaat echt niet of het risico van een misser is erg groot. Alleen de speler zelf kan een bal onspeelbaar verklaren.

OUT OF BOUNDS

  • Letterlijk "buiten de baan". De bal is terecht gekomen buiten de begrenzing van de baan, die afgebakend is met witte paaltjes.

OVERSWING

  • Afwijken van de optimale swingboog en swingbaan (meestal een langere boog dan noodzakelijk), vooral in de backswing.

TopP

PAR

  • Het aantal slagen wat een scratch speler nodig heeft voor de standaard score van een hole of een hele baan.

PENALTY STROKE

  • Nederlands: strafslag. Een slag die bij de score van een speler of een kant wordt opgeteld op grond van bepaalde regels.

PITCH

  • Korte hoge slag, gespeeld met een club met veel loft. Ook: klein putje in de green, door de impact van de bal.

PLAY-OFF

  • Als een wedstrijd gelijk is geëindigd wil men vaak een beslissing hebben. Het spelen van die beslissing (vaak sudden-death, soms 18 holes) heet een play-off.

POSTURE

  • De houding van het lichaam in de adrespositie

PRACTICE

  • De oefengreen, waar golfspeler een bal leren slaan.

PUTT

  • De bal in de hole putten door te slaan met de putter.

TopQ

 


TopR

RECOVER

  • Slag vanuit een ongewenste ligging terug naar een plek die meer voordelen biedt

ROUGH

  • Alle natuurlijke terreinen op een golfbaan. Alleen de afslag, de fairway, de hindernissen en de green vallen daar niet onder.

RITME

  • Een harmonieuze beweging in de swing met regelmatige en herhaalbare patronen.

TopS

SCARE THE HOLE

  • Een putt die in de hole lijkt te vallen, maar het net niet doet, daarvan wordt gezegd “to scare the hole

SHAFT

  • De steel van de club, tussen de kop en de grip

SCORE

  • Op de scorekaart wordt de stand bij gehouden: de score, het totaal aantal slagen of punten.

SCRATCH

  • Zonder handicap. "Hij speelt van scratch", dus een speler met handicap nul.

SLAGVLAK/p>

  • Het – al dan niet geribbelde – slagvlak van een club, dat in aanraking komt met de bal.

SLAGZONE

  • Het deel van de swing waar de impact plaats vindt

SOCKETING

  • Men raakt de bal in het overgangsgebied tussen slagvlak en hosel (the socket), waardoor de bal extreem naar rechts vliegt en heel laag blijft.

SQUARE

  • De positionering van het clubblad recht op het doel

STABLEFORD

  • Een strokeplay wedstrijdvorm. De handicapslagen worden verdeeld over de te spelen 18 holes. De par per hole is dan de echte par plus die handicapslag(en). Wie even goed speelt als zijn handicap, verzamelt dus 36 punten.

STANCE

  • Nederlands: stand. Het plaatsen van de voeten in een stand voor en ter voorbereiding van het doen van een slag.

SWAY

  • Een algemene beschrijving van een buitensporige laterale beweging in de backswing of foreward swing.

SWEET-SPOT/p>

  • Het middelpunt van het clubblad qua gewichtsverdeling. Als men de bal raakt op de sweetspot slaat men het verst.

TopT

TEE

  • Het opzetstokje om de bal op te zetten als hulp op de afslagplaats.

TIMING

  • De juiste chronologische samenwerking en volgorde tussen de verschillende lichaamsdelen die een vloeiende swing en een perfect geraakte bal tot gevolg heeft.

TOP

  • Toppen. De bal raken op of boven de middellijn van de bal, wat deze een scheervlucht geeft.

TRAJECTORY

  • DRAW een balvlucht met een vertrekrichting iets rechts van de doellijn, die iets naar links afbuigt.
  • FADE een balvlucht met een (kleine) curve naar rechts
  • PULL een bal die links van de baldoellijn vertrekt.
  • PULL-HOOK een schot waarbij de bal vertrekt links van het doel en nog verder naar links afbuigt.
  • PULL-SLICE een schot waarbij de bal vertrekt links van het doel en afbuigt naar rechts.
  • PUSH balle qui part droite à droite de la cible
  • PUSH-HOOK schot waarbij de bal vertrekt rechts van het doel en afbuigt naar links.
  • PUSH-SLICE een schot waarbij de bal vertrekt rechts van het doel en afbuigt naar rechts.

TopU

UPRIGHT

  • Een verticaal swingvlak.

TopV

VLAG

  • De vlag die aan de vlaggenstok hangt welke in de hole staat. Meestal een opvallende kleur zodat men ze vanop afstand goed kan zien.

VLUCHT

  • De weg die de bal in de lucht aflegt, de balvlucht.

TopW

WAGGLE

  • Korte bewegingen heen en weer met de kop van de stok, voordat de eigenlijke swing wordt begonnen.

WEDGE

  • Een stok (ijzer, club, iron) met veel loft (48 graden of meer), gebruikt voor korte slagen.

TopX Y Z